Gebruikershandelingen
In de Tri-plane weergave worden referentielijnen weergegeven op de axiale, sagittale en coronale weergave. Als een referentielijn wordt gedraaid, worden de andere views overeenkomstig aangepast.
De volgende gebruikersinteracties zijn mogelijk binnen een gegenereerde MPR-reeks (en vergelijkbaar voor MIP, MINIP, MPVR):
1. Enkelvoudig oblique rotatie
Door de cursor boven een referentielijn te plaatsen, verandert de cursor in een rotatie pictogram.
Houd de linkermuisknop ingedrukt en sleep de referentielijn naar de gewenste locatie om een oblique weergave te creëren.
Standaard blijven de referentielijnen in een hoek van 90°.
2. Dubbel oblique rotatie
Indien bij het roteren in de enkelvoudige oblique weergave bijkomend de Ctrl-toets ingedrukt wordt, zal enkel de geselecteerde referentielijn verder bewegen.
Hierdoor staan de referentielijnen niet langer loodrecht op elkaar wat resulteert in een dubbel oblique weergave.
Belangrijk |
 | Voor een beter gebruiksgemak, kunnen rotaties maar rond één as tegelijk uitgevoerd worden. Nadat bvb een rotatie rond de X-as werd uitgevoerd, dient u de linker muisknop los te laten en opnieuw in te drukken om een rotatie rond de Y-as te kunnen uitvoeren. |
Vanuit de axiale, sagittale of coronale weergave is het mogelijk om de getoonde doorsnede van de oblique weergave te wijzigen door de kruising van de twee referentielijnen te selecteren, de linkermuisknop ingedrukt te houden en de muis te verplaatsen.
Hiermee kan ook de kruising verplaatst worden om een ander middelpunt te selecteren voor een rotatie van de referentielijnen.
3. Oriëntatieinstellen
De oblique weergave kan in een enkele actie ingesteld worden door gebruik te maken van de optie "Oriëntatie instellen" in het MPR menu:
De mogelijke opties zijn: Links, Recht, Anterieur, Posterieur, Hoofd of Voeten.